Sjawoe’ot is niet alleen het „feest van de eerstelingen”, zoals het in de Tora wordt genoemd, maar ook het „feest van de gave van de Tora” – Mattan Tora. Op Sjawoe’ot werd de Tora immers door G’d via Mosje aan het volk gegeven. Zo voltooiden de Israëlieten de fysieke bevrijding van Pesach door de geestelijke bevrijding van Sjawoe’ot – de Tora wordt zonder voorwaarden aanvaard.
Het volk ontvangt de Tora bij de berg Sinai, die in Sjemot Rabba wordt beschreven als „een berg met vele toppen” – Har gavnoenim. Omdat het woord gavnoenim doet denken aan het woord gevina (kaas), is het gebruik ontstaan om op Sjawoe’ot vooral melkspijzen te eten. Anderen zien deze melkproducten als een symbool voor de Tora zelf, zoals het in de commentaar op Sjir haSjirím, Sjir haSjirím Rabba (1:2:3) wordt gezegd: „Zo zuiver als melk is, zo waar zijn de woorden van de Tora.”
Op Sjawoe’ot wordt de Megillat Ruth gelezen, het boek Ruth, waarin het verhaal wordt verteld van de niet-Israëlitische Ruth. Aan het einde van het verhaal trouwt zij met de Israëliet Boaz – een verbintenis waaruit uiteindelijk koning David voortkomt.
Enerzijds vertelt het boek Ruth het verhaal van Boaz en Ruth als fundament van Davids geslachtslijn. Anderzijds verwijst het naar het blijvende verbond dat G’d op de berg Sinai met Israël sluit.
Dit verklaart waarom het boek Ruth juist op Sjawoe’ot wordt gelezen: vanwege de symboliek van dit eeuwige verbond, en niet alleen omdat het feest samenvalt met de tijd waarin het verhaal van Ruth en Boaz zich afspeelt, zoals vaak wordt gezegd.
Koning David, de afstammeling van Ruth en Boaz, werd eveneens op Sjawoe’ot geboren en stierf volgens de overlevering ook op deze dag. Daarom spreken sommige orthodoxe gemeenschappen op Sjawoe’ot Tehillim – de Psalmen.
Studie in de nacht van Sjawoe’ot
Steeds vaker komt men de traditie van Tikkoen Leil Sjawoe’ot tegen.
Het woord tikkoen kan worden afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord letaken, dat „herstellen” of „repareren” betekent. Deze term verwijst zowel naar de nacht van (of voorafgaand aan) Sjawoe’ot als naar de verzameling teksten die in die nacht wordt bestudeerd, vaak tot vlak voor het ochtendgebed.
Een geliefde verklaring voor dit gebruik verwijst naar de Midrasj Sjir HaSjirím Rabba (1:57). Volgens deze overlevering wilden de Israëlieten niet moe bij de Sinai verschijnen en gingen zij daarom vroeg slapen. Ze rustten echter zo goed dat ze zich versliepen en door Mosje moesten worden gewekt.
Hoe oud is dit gebruik eigenlijk?
De vroegste vermelding vinden we in de Zohar (Wajikra 23). Daar staat dat vromen, zoals Sjimon bar Jochaj, de hele nacht wakker bleven om te studeren. Dit wordt verklaard met het beeld van de bruid die zich voorbereidt om ’s ochtends haar bruidegom te ontmoeten – de „bruiloft” van het volk Israël.
Hierop baseert rabbijn Avraham Gombiner (1637–1683) zich in zijn werk Magen Avraham, een commentaar op de Orach Chajiem van de Sjoelchan Aroech. Hij schrijft dat in zijn tijd geleerden de gewoonte hadden om in deze nacht wakker te blijven en Tora te studeren (Orach Chajiem 494).
Niet veel later merkt de uit Praag afkomstige rabbijn Ja’akow Reischer (1661–1733) in zijn commentaar Chok Ja’akow op dat dit gebruik niet alleen onder geleerden bestond, maar ook door de bredere gemeenschap werd gevolgd.
Rabbi Jisraël Meïr Kagan (1838–1933) verwijst in zijn Misjna Beroera naar de Arizal, rabbijn Jitschak Luria (1534–1572), een van de meest invloedrijke kabbalisten uit Safed. Hij benadrukt dat het bijzonder verdienstelijk is om in deze nacht wakker te blijven en Tora te studeren. Dit zou de lerende beschermen tegen negatieve invloeden tot aan het volgende Sjawoe’ot (Orach Chajiem 494:1).
Het is daarom aannemelijk dat ook dit gebruik, net als bijvoorbeeld Kabbalat Sjabbat, zijn oorsprong vindt bij de kabbalisten van Safed en zich vandaaruit over de Joodse gemeenschappen in Europa heeft verspreid. Dat verklaart ook waarom een vaste samenstelling (tikkoen) van te bestuderen teksten pas relatief laat is ontstaan en nooit volledig uniform werd.
Er bestaan wel verzamelingen onder de naam Tikkoen Leil Sjawoe’ot, waarschijnlijk teruggaand op de Praagse rabbijn Jesaja Horowitz (1565–1630), die later als bijzonder „authentiek” werden gepresenteerd. Deze bevatten passages uit Tenach en Talmoed – een soort dwarsdoorsnede van de Joodse traditie.
De eerder genoemde rabbijn Ja’akow Reischer merkt echter kritisch op in zijn Chok Ja’akow (494) dat hij deze verzamelingen minder waardeert, en ze eerder geschikt acht „voor mensen die niet weten hoe te studeren”.
Men kan zich dus aan zo’n selectie houden, maar elke gemeenschap of groep kan ook zelf bepalen wat en hoe zij in deze nacht wil leren.

